top of page
  • Foto van schrijverRoer

Innerlijke glimlach

In gesprek met Antony Samson


Over het eerste lief, de wekkerradio en zijn eerste bundel 'Herinner mij er morgen aan'




Dag Antony. Op jouw website las ik de volgende onthulling.


‘Ik was niet dat jongetje dat verhalen of gedichten schreef. Ik speelde tennis en luisterde naar grunge. Toen kreeg ik liefdesverdriet.’


Was dat de aanleiding? De schaduwzijde van de kalverliefde? 


Ja, maar het is mogelijk dat ik die aanleiding in de loop der jaren een beetje heb geromantiseerd. Hoe dan ook, na de breuk met mijn eerste lief – ik was achttien – schreef ik een Engelstalige liedtekst waarin zij en mijn vrienden de hoofdrol speelden. Niet veel later begon ik songteksten te schrijven als de zanger van een rockgroep genaamd Ill!noise. Maar het duurde nog tot mijn dertigste voordat ik mijn eerste gedichten schreef.


Godfried Bomans schreef. Alvorens zich te beklagen, is het nuttig zich deze vraag te stellen: zou ik een ander willen zijn? Dezelfde vraag richt ik aan jou. Zou je (soms) een ander willen zijn? 


Soms wel, maar meestal niet. Op momenten dat ik met mijn beperkingen word geconfronteerd, denk ik weleens: kon ik maar dit of was ik maar dat … Bijvoorbeeld, ik ben onhandig en onpraktisch ingesteld. Het ophangen van een armatuur aan het plafond is voor mij een ware titanenstrijd, en hetzelfde geldt wanneer ik een fietsband vervang. En als ik in een hotel een eierdopje neem, bestaat de kans dat ik het op zijn kop zet. Dat soort zaken… Gelukkig is mijn vrouw handiger en begripvol voor mij fratsen. Ik ben ook belabberd in smalltalk, waardoor er ongemakkelijke stiltes kunnen vallen … en een verstrooide professor ben ik eveneens. Gelukkig heb ik met de jaren geleerd om mijn troeven en talenten te waarderen, en om milder te zijn voor mijn gebreken. In de kern ben ik dan ook best tevreden met wie ik ben en dankbaar voor de plek op aarde waar ik ben opgegroeid.


Dit gezegd zijnde: al dan niet een ander willen zijn, vereist ook dat je goed weet wie je bent. Ik denk steeds meer na over mijn plek in de wereld. Dat beeld is de ene dag mistiger dan de andere, maar wie ik ben staat niet voor eeuwig in steen gebeiteld. Ik beschouw mijn persoonlijkheid eerder als een beeldhouwwerk dat onderhevig is aan het lot, mijn omgeving en aan de tijd. Ik werk dat beeld voortdurend bij met de tools die ik voor handen hebt, zonder te geloven in een ideaalbeeld. 


We lichten drie gedichten uit jouw kersverse bundel ‘Herinner mij er morgen aan’.

In Vliegtuigmodus ontwaken we met de smartphone en de wekkerradio.


Persoonlijk huiver ik altijd wat van leenwoorden maar ze zijn onvermijdelijk geworden. Het draagbare toestel waarvoor in onze taal geen goed woord voor bestaat hebben we dus maar smartphone genoemd. Hoe sta je zelf tegenover de ‘verengelsing’ van het Nederlands? 


Ik vind het dubbel. Het is een utopie om van de Nederlandse taal een ondoordringbare vesting te maken die geen invloed van buitenaf toestaat. Taal zal altijd onderhevig zijn aan de tijd en de omgeving waarin het gedijt. Vroeger was dat wellicht eerder het Frans, terwijl er nu inderdaad meer Engels in onze taal sijpelt. So what? Zolang er maar regels en normen zijn om ervoor te zorgen dat we elkaar goed blijven begrijpen. Waar ik het wel soms op mijn heupen van krijg, is het corporate Engels dat je managers hoort praten. Ze orakelen in termen als targets, challenges, forecasts, ownership, bold, result-driven, en ga zo maar door. Zelfs in een privé-context. Alsof dat hun betoog meer geloofwaardigheid geeft … En alsjeblief, stop met het woord ‘kids’. Noem ze gewoon kinderen, bengels, koters … Er zijn tal alternatieven in onze prachtige taal. ☺


Wat me in dit gedicht opvalt is het contrast tussen een donker drama, oorlogsberichten op een wekkerradio en de vrolijke muziek die daarop volgt. In de metafoor dan toch. Een rug wordt een cello die je allegro stemt en sproeten worden geteld als zegeningen. Als ik dat lees, kom ik meteen in de zomerse sfeer. Hoe vind jij die balans tussen de seizoenen, tussen licht en donker in de poëzie of in ruimere zin (… ahum … schraapt zijn keel) het leven? 


Ik vind contrasten interessant in poëzie. ‘Vliegtuigmodus’ is een gedicht dat ik de voorbije jaren vaak heb herschreven, maar dankbaarheid is altijd de rode draad geweest. In dit geval de dankbaarheid van een ik-persoon die het bed mag delen met een partner die een tegengewicht biedt voor al het leed in de wereld en voor de ratrace waarin we soms gedwongen worden te leven. Wereldleed en intimiteit gaan in dit gedicht hand in hand. Het zorgt voor een contrast dat voor mij werkt. Vliegtuigmodus is een van de vele romantische gedichten in mijn debuutbundel. Misschien is dat niet erg hip, maar liefde overstijgt trends. Ook via humor of lichtvoetigheid probeer ik de pathetiek rond romantische thema’s zoals liefde en identiteit te omzeilen.


In Beuk beland je in andermans tuin. Aan een boom kleeft geschiedenis. Hij krimpt in de schaduw van die andere groei. De groei waarover het vaker gaat. Die van onze handel en welvaart. Aan het einde huist de hoop in zijn wortels, waar plannen worden gesmeed, waartoe mensen geen toegang hebben. Het doet me wat denken aan het boek van Peter Wohlleben, het verborgen leven van bomen. Geloof jij in de tegenstelling tussen mens en natuur of in een verbroedering tussen beide? Hoe zie je die verhouding? 


Ik heb dat boek van Wohlleben ook gelezen. Dankzij zijn verhaal heb ik een heel ander beeld gevormd van bomen en hun verbondenheid met elkaar en met de rest van de natuur. Maar om op je vraag te antwoorden: volgens mij is la condition humaine onlosmakelijk verbonden met de natuur. Kijk naar onze luchtkwaliteit, de temperatuur, aanhoudende droogte of overstromingen en de impact ervan op onze oogsten en migratiestromen … We worden enerzijds overgeleverd aan de grillen van de natuur en anderzijds hebben we een lange geschiedenis in de onderwerping ervan. Dat laatste heeft voor de menselijke soort wellicht vooruitgang betekend, maar het kan ook leiden tot de verwoesting van de planeet. De mens heeft in de loop van de geschiedenis vele strategieën bedacht om die onderwerping te verantwoorden. Van een hebzuchtige interpretatie van de woorden ‘onderwerp de aarde’ in Genesis over het kolonialisme en de industrialisering tot aan het kapitalisme. Telkens waant de mens – en met name de machthebbers - zich boven de natuur. Dat idee zullen we moeten loslaten. In zijn boek De onderwerping parafraseert historicus Philipp Blom Michel De Montaigne treffend: “Die homo sapiens kan de natuur niet onderwerpen want hij kan (…) niet eens zijn eigen natuur begrijpen, laat staan beheersen.”


Het derde gedicht Sluitingstijd barst van het taalplezier. Ook hier weer spel en drama in één. Seconden miezeren je kleren in en de bloemen sterven maar toch danst dit gedicht. De tijd tikt voorbij als een vrouw op stilettohakken. Ze kijkt niet meer achterom. In dit gedicht wordt weer bijna geflirt. Hoe speel je met taal, zonder in frivole smartlappen te vervallen?


Ik denk dat het een kwestie van aanvoelen is. En een voortdurend schrappen en schaven tot ik het gevoel heb dat de sentimentaliteit eruit geschreven is. Maar dat aanvoelen is heel persoonlijk. Taalplezier is voor mij sowieso essentieel. Het zorgt voor een innerlijke glimlach tijdens het schrijfproces. Waar ik op moet letten, is dat het daar niet bij blijft. Mooischrijverij mag niet volstaan, maar dat is soms een uitdaging. Wat wil ik vertellen? Waarom zou ik dit gedicht de wereld in sturen? Soms moet ik, wanneer het gedicht bijna ‘af’ is, toch nog op zoek naar een antwoord. ☺


Tot slot. Wat staat er nog op de agenda voor 2024? 


Enkele optredens tijdens de Poëzieweek en hopelijk ook gedurende de rest van het jaar, verder werken aan bundel twee en enkele interviews afnemen voor roer. De kans is ook reëel dat ik start met een opleiding tot schrijfdocent om mijn activiteiten als zelfstandig copywriter te verrijken met andere professionele bezigheden. Ik ben ervan overtuigd dat ik daardoor ook met een scherper oog naar mijn eigen poëzie zal kijken. 


Bedankt Antony


gedichten bij het gesprek





interview: Wim Vandeleene


bottom of page