top of page
  • Foto van schrijverEdward Hoornaert

Randen

Anna Ayanoglou



Marges


La ville, souvent, n’était que ces quartiers

dont l’atmosphère disait : dernière rue

avant le vide

– et elle se poursuivait


Elle éveillait chez l’étranger

une acuité discrète, décuplée

– mais rien

jamais, n’y advenait.




Randen


Vaak was de stad niet meer dan die wijken

waarvan de sfeer zei: laatste straat

voor de leegte

– en liep zij door


Bij vreemden wekte ze

een discrete, vertienvoudigde

scherpzinnigheid

– maar niets

viel er ooit voor.




Het zijn de mensen en de activiteiten die ze ondernemen die een stad maken tot wat ze is, en toch lijkt het erop dat steden vaak niet afgestemd lijken op de mensen die er wonen. Uit noodzaak schikken we ons dan naar het maatwerk van straten en gebouwen waarin voorzien werd of weten we onszelf een plek te verwerven op het lint dat dorpen met elkaar verbindt. Meestal treedt er gewenning op, af en toe willen we weg. Uitbreken. Op reis in het buitenland laten we ons verdwalen in het labyrint van middeleeuwse steegjes, gaan we op in de rondgang van concentrische straten of botsen we op onze grenzen in troosteloze woonwijken die een geschiedenis vol conflict met zich meedragen en gaandeweg voor stilstand en afstand lijken te kiezen.


In het gedicht ‘Marges’ lijkt elke wijk de dichteres voor te bereiden op de uiterste grens van de stad, het moment waarop de stilte definitief invalt. Anna Ayanoglou heeft niet veel woorden nodig om de ontheemding die ze ervaart in deze stad (Tartu) en in dit land (Estland) dat nog de sporen van de communistische bezetting draagt te evoceren. Om het immobilisme van de stad en haar daaruit voortvloeiende vereenzaming neer te zetten. De ruimte in dit gedicht lijkt ontmenselijkt. Het zijn vreemden, buitenlanders die de stad een gelaat geven. En dat is allesbehalve flatterend.


Net zoals de stad verder loopt, voorbij de grens die elke wijk de dichteres lijkt op te leggen, zal ook zij – eens het ordinaire mysterie van deze stad uitgewerkt is en haar perceptie in een quasi definitieve plooi gelegd heeft – afstand moeten nemen van wat vertrouwd geworden is en een nieuwe stap in het onbekende zetten. In de bundel ‘Le fil des traversées’ leest dit gedicht als een overgangsritueel. Door wat voorbij is af te bakenen, ontstaat ruimte voor iets nieuws. Een nieuwe bestemming, een nieuwe liefde, …


Grenzen trekken in tijd en ruimte zorgt voor een groter bewustzijn van tijd en ruimte. Het is een manier om grip te krijgen op een werkelijkheid die anders geleidelijk aan ons ontsnapt. Grenzen kunnen zorgen voor een overgang van oud naar nieuw, van verleden naar toekomst, van terugblikken naar vooruitkijken en verwachten. Het trekken van grenzen verandert op zich misschien niet veel, maar het ordinaire mysterie van het dagelijks leven moet van tijd tot tijd heruitgevonden en vernieuwd. Een grens is vanuit dit opzicht dan misschien wel een illusie, maar wel één die nieuwe mogelijkheden schept, de sleur doorbreekt en ons leven betekenis geeft. Er desnoods voor zorgt dat we opnieuw kunnen beginnen.



Anna Ayanoglou (°1985) is een Frans-Griekse dichteres die opgroeide in Parijs, maar woont en werkt in Brussel. Ze geeft er les en presenteert er maandelijks haar programma Et la poésie, alors op Radio Panik, waarin ze gedichten in hun originele taal laat voordragen. Haar debuutbundel 'Le fil des traversées', geschreven naar aanleiding van een driejarige reis doorheen de Baltische staten, verscheen bij Gallimard en werd bekroond met de Prix Apollinaire Découverte en met de Prix Révélation Poésie de la Société des gens de lettres in 2020. Eerder dit jaar verscheen bij dezelfde uitgeverij haar tweede dichtbundel 'Sensations du combat'.

Opmerkingen


bottom of page