top of page
  • Foto van schrijverRoer

In een gondel de Styx over

Over gelaagde gerechten, de zwanenzang en vier soorten van twijfel


Koenrad Moerman (Oostakker 1961) studeerde wijsbegeerte en communicatiewetenschap, schrijft adviezen, brochures, nieuwsbrieven en persberichten om den brode en gedichten als beleg. In 2019 won hij de poëzieprijs van de stad Harelbeke, in 2022 de poëzieprijs Boontje.

Wie of wat heeft jou tot schrijven aangezet?

Het schrijven is gegroeid vanuit het lezen. Ik was het klassieke introverte kind dat zich verstopte met een boek. ‘Ik las Karl May tot ik zelf Old Shatterhand was’, heb ik daarover ooit geschreven. De gedichten kwamen later, in het vijfde jaar middelbaar onderwijs, niet voor niets toendertijd “de poësis” genoemd. Ik maakte kennis met Lucebert, Paul Snoek, Jotie ’t Hooft, Hans Lodeizen ... en begon zelf wat te experimenteren (zwakke imitaties, achteraf gezien). Begin jaren ’90 volgde ik de schrijversacademie WEL in Leuven, en publiceerde ik enkele verhalen in het tijdschrift van die vereniging. Nadien ben ik toch vooral gedichten gaan schrijven, en een vijftal jaar geleden ben ik na een ‘grote kuis’ van mijn poëzieschuif met werk naar buiten gekomen. De poëzieprijs van de stad Harelbeke in 2019 was een belangrijke stimulans om verder te doen.

Stel dat een gedicht een goed gerecht was. Wat zou voor jou het ideale recept zijn? Hoe moet het bereid en gekruid?

Ik heb een voorkeur voor gelaagde gerechten, een combinatie van aroma’s. Zoals ik liever een multivarietal-wijn drink dan een monocépage. De smaken mogen ook botsen, scherp en zacht, zoet en bitter. Een beetje room en een teentje look. Belangrijk is dat het mooi oogt op het bord en mij kan verrassen. Te voorspelbare gerechten en gedichten vind ik saai. Om een gerecht te kruiden, grijp ik vaak naar humor, ironie, kolder. Let wel, die specerijen vormen niet de essentie, vaak gaat het er om een andere smaak beter te doen uitkomen of het geheel makkelijker te laten verteren.


UIT EIGEN WERK


In het gedicht a mineur zit ‘je’ in kamerjas uit het raam te staren.

De gelaakte man. Het gedicht doet me wat denken aan dat nummer van Doe Maar.


We zijn nu net een stuk in 13 delen

Aan het einde zijn we allemaal de klos En leven trouw het leven van zovelen Ik wil iets meer, ik wil een beetje los


Is dit alles? Is dit alles? Is dit alles wat er is?


Een aanklacht tegen de middelmatigheid? Of een gebrek aan ambitie?

Een gebrek aan ambitie, dat zit er zeker in, een soort inertie. In het gedicht zien we een man die er niet meer toe komt zich aan te kleden en de dag in kamerjas uitzit. Waarom? Mogelijks is hij depressief, heeft hij een burn-out (er staat dat hij ‘uitgebrand’ is). Of het gaat om een lethargisch figuur, een kruising tussen Oblomov en Hamlet die voordurend aan de zin van alles en zichzelf twijfelt, er is altijd iets ‘dat aan zijn kas knaagt’. Je kan het ook lezen als een coup de vieux-gedicht: de man maakt aan het einde van zijn leven de balans op, ‘de schade verhalen’ staat er. Er is veel misgelopen, dromen niet uitgekomen, ambities niet vervuld… Die desillusie geldt misschien niet alleen voor dit specifieke individu, maar ook voor zijn generatie en het tijdperk waarin hij leeft. ‘De kaalslag gecamoufleerd met slappe was’ zou kunnen verwijzen naar de natuur die opgeofferd is aan de rijkdom in het Westen. Dan wordt het een fin de siècle-gedicht, net zoals de roman Oblomov iets vertelt over het eindspel van het Russische tsarenrijk. Hoe je het ook interpreteert, het is een gedicht in mineur. Maar de dichter/lezer hoeft zich niet onmiddellijk van een rots te gooien, de slotzin biedt ergens toch een houvast: doen wat je moet doen, de dagelijkse, praktische dingen (afwassen) en kunst maken van miserie (‘dactylus van kamerjas’).


Het tweede gedicht, Dood in Venetië, is een opdracht voor de overtocht. Het moet … Zoals de Griekse veerman je kwam halen aan de oevers van de Styx. Hier speelt het zich af in Venetië. Niet in een ziekenbed maar in een gondel vaar je door de grachten van Venetië, vergezeld door Mahler, met een laatste glas champagne in de hand. Het verwijst naar het gedicht van Willem de Mérode en de roman van Thomas Mann. Een feestelijke uitvaart. Moet de dood gevierd (bij leven)? Vanwaar deze zwanenzang?


Aan de zwanenzang ontsnappen we niet, en als we dan toch de Styx over moeten, dan niet in een bedkooi maar in een gondel, vindt de ik-persoon in dit gedicht. Wellicht is hij terminaal en wil hij niet wegkwijnen in een ziekenhuis. Daarom is hij naar Venetië gegaan voor een euthanasie die hijzelf tot in de puntjes georganiseerd heeft. In een gondel, met muziek van Mahler op de achtergrond, heeft hij bij zijn laatste glas champagne vermoedelijk een letale pil geslikt. Ook de uitvaart nadien, tot de overkomst van de familie en de begrafenismaaltijd toe, is netjes geregeld en betaald. Het is een man die groots wil leven en sterven, maar geen verspilling en nonchalance duldt. Een ambivalent personage in een ambivalente stad in een ambivalent gedicht — schoonheid en verval, Dionysos en Apollo, komedie en tragedie, slapstick en horror. En zoals het hoort, gaat het leven gewoon verder zijn gang nadat ‘de schoonheid dit hart fataal werd’: na zijn as uitgestrooid te hebben op San Michele, strooien de dierbaren even later oregano over hun pizza quattro stagioni en twitteren ze na over het weer. Ik heb dit gedicht, dat vorig jaar gepubliceerd werd in Het Liegend Konijn, geschreven na het plotse en te vroege overlijden van een vriend. Het is het mooiere einde dat hij zich wellicht zou gewenst hebben, met de Italiaanse grandezza waar hij van hield.


In Poète maudit sluipt de twijfel binnen.


(fragment)


elke avond moeizaam woorden schrapen

Zinnen schaven, soms een regel rapen

Dan begint het knagen: is het banaal


of urgent, postmodern of na-apen,

vitaal sprankelend of futloos en vaal

als je vel van recyclage-eierschaal?


Is die twijfel hinderlijk in het creatieve proces? Of eerder vruchtbaar?

Er worden vier soorten van twijfel over dichten aangekaart in dit rondeel. De eerste heeft te maken met het schrijfproces zelf, dat moeizaam verloopt (schrapen en schrappen). Gedichten komen niet zomaar uit de pen gevloeid, zo gul is de muze niet. De tweede duikt op wanneer er uiteindelijk iets op papier staat: is het goed genoeg? Er is en wordt al zoveel gepubliceerd, voegt het iets toe? De derde twijfel is verbonden met de publieke belangstelling voor je werk, of het gebrek eraan: er zijn meer dichters dan lezers van poëzie, niemand zit op jouw ‘monumentaal oeuvre’ te wachten en er zal altijd wel iemand zijn die het maar niks vindt. En tenslotte is er de twijfel rond de positie die de dichter (en bij uitbreiding de schrijver) inneemt: om te kunnen schrijven, moet je wat afstand nemen, buiten het leven van anderen en jezelf staan. Of beter: zitten, aan je schrijftafel. Terwijl buiten in de zon de lijven bronzen, word jij zo de bleke leptosoom die in het gedicht beschreven wordt. Meity Volcke eindigt haar sonnet ‘Een dode dichter’ treffend met: ‘Ik leefde niet. Ik heb alleen geschreven.’ Een karrevracht twijfel dus, voldoende om het creatieve proces te fnuiken en nooit meer iets op papier te zetten? Nee, want de titel van het gedicht is: ‘poète maudit’. De dichter is vervloekt omdat hij miskend en maatschappelijk onaangepast is, een decadente satanist, maar ook omdat hij gedoemd is gedichten te schrijven. Het zit in zijn natuur, net zoals zijn drankprobleem. En dan is er nog wat Koenraad Goudeseune ooit zei, al klinkt het wat dramatisch: ‘omdat niet zozeer schrijven, maar geschreven hebben enkele tellen verlichting brengt’.


WEERKLANK


We leggen je drie fragmenten of citaten voor waarop je spontaan mag reageren


Es ist schwer, es zugleich der Wahrheit und den Leuten recht zu machen.

Het is moeilijk om tegelijk de waarheid en de mensen het naar de zin te maken.

Thomas Mann


Een waarheid als een koe, al hoort men in deze tijden van fake news en oorlogsretoriek vaak dat de waarheid niet bestaat en iedereen zijn waarheid heeft. Niet helemaal waar, beste relativisten, er zijn feiten die we niet kunnen ontkennen en evoluties waar we niet naast kunnen kijken, zoals bijvoorbeeld de klimaatverandering en het al even alarmerende biodiversiteitsverlies. Maar ondertussen blijven politici deze waarheid ontkennen of minimaliseren, bedrijven en boeren lobbyen om vervuilende activiteiten verder te kunnen zetten en consumenten consumeren zonder zich vragen te stellen bij de impact ervan. Zij die daar kritiek op hebben (de klimaatdichters bijvoorbeeld) worden al snel afgedaan als prekers, dromers, groene fundi’s. Ja, het is moeilijk om tegelijk de waarheid en de mensen het naar de zin te maken.


Live, travel, adventure, bless, and don't be sorry.

Jack Kerouac


Het zou het motto kunnen zijn van Kerouacs ‘on the road’, rondtrekken om te leren hoe bewuster te leven, wars van burgerlijkheid en consumentisme. Maar ondertussen is de quote een reclameslogan geworden van reisbureaus en gaat de planeet gebukt onder massatoerisme. Dus plaats ik er graag een citaat tegenover van Marcel Proust: ‘Le seul véritable voyage, le seul bain de Jouvence, ce ne serait pas d'aller vers de nouveaux paysages, mais d'avoir d'autres yeux, de voir l'univers avec les yeux d'un autre, de cent autres, de voir les cent univers que chacun d'eux voit, que chacun d'eux est.


Rijken hebben honderd rozen nodig voor een druppel parfum. Dat is luxe. Het ware

geluk bestaat erin dorens te verzamelen en een roos te vinden.

Johan Daisne


Wat een raadselachtig citaat! De eerste twee zinnen lijken me een variant van ‘geld maakt niet gelukkig’ met een onderhuidse kritiek op de vermarkting van de natuur. Je zou dan als slotzin verwachten ‘Het ware geluk bestaat erin een roos te bewonderen zonder ze te plukken’ of iets in die zin, maar Daisne gooit het over een totaal andere boeg (is dat nu magisch realisme?) en ik kan niet meer volgen. Bij ‘dorens verzamelen en een roos vinden’ denk ik immers automatisch aan ‘Les fleurs du mal’ van poète maudit Baudelaire, en die zal het niet eens zijn met Daisnes bewering dat je daar gelukkig van wordt, hij heeft er een dodelijke syfilis aan overgehouden! Of gaat de zin eerder over serendipiteit, iets waardevols vinden door naar iets anders te zoeken?


VOOR DE BOEG


Welke plannen heb je nog voor het komende jaar?


Poëzie laat zich moeilijk plannen, het is als een moestuin: je kan spitten, planten en wieden, maar de oogst ligt nooit vast. De komende tijd af en toe iets op papier krijgen dat de moeite waard lijkt, zou al mooi zijn. En wie weet wil iemand het dan wel publiceren.


DE FLESSENBRIEF


Welke boodschap wil je nog nalaten voor de reizigers van Roer?


Een boodschap in een fles die ik in zee gooi? Dat wordt dan: ‘Beste lezer, dit is geen SOS, ik zit hier goed op mijn onbewoond eiland. Elke avond kijk ik hoe de zon ondergaat in het water. Ik kan het u aanraden. Maar gooi eerst deze fles in een glasbol, de branding is mooier zonder.’



gedichten




interview: Wim Vandeleene




Commentaires


bottom of page