top of page

Lege stoelen

  • Foto van schrijver: Wim Vandeleene
    Wim Vandeleene
  • 6 dagen geleden
  • 10 minuten om te lezen

In gesprek met Saskia De Vriese


Over bolsters, gaten en vulpasta




Welkom bij Roer. Naast dichter ben jij ook begeleider van mensen met een beperking. Heeft dit een invloed op je gedichten? In het algemeen, wat is de invloed van je dagelijkse handelingen en realiteit op het schrijven? 


Hallo en dankjewel! Mijn manier van denken en voelen vormt samen met mijn ervaringen meestal de bron van mijn lezen en schrijven. Ik schrijf echter zelden vanuit mijn handelingen alleen, maar ook vanuit de betekenis die ik eraan geef. Mijn innerlijke wereld beslist wat poëzie wordt en wat ‘ruis’ blijft.

Mijn dagelijkse handelingen bepalen meer het ritme, de adem en de discipline van mijn schrijven. 

Bijvoorbeeld. Mijn zinnen zullen mede door mijn werk, maar vooral door wie ik denk te zijn, bedachtzamer zijn. Het zorgen en herhalen geeft me mogelijks meer aandacht voor detail, kwetsbaarheid en voor het kleine. Ik streef naar waarnemen zonder te oordelen, naar ruimte laten voor iemand anders zijn logica. Mijn aanwezigheid laat zich volgens mij ook opmerken in de ruimte, de open plekken en het respect dat ik in mijn gedichten voor het onuitgesprokene kan opbrengen. De confrontatie met frustratie, humor, afhankelijkheid en ook onverwachte schoonheid verdiepen mijn eigen emotionele register. Ik leerde luisteren naar gebaren, stiltes, herhaling en naar wat niet altijd meteen gezegd kan worden . Ik probeer niet te snel te interpreteren maar aan te voelen. De routine die ik graag hanteer, biedt ook een vorm van veiligheid waarin gevoelens durven en mogen opkomen.


Er is ook een wisselwerking, een soort van terugkoppel-effect, merk ik. Wat ik schrijf, lijkt soms op zijn beurt ook een invloed te hebben op hoe ik leef. Ik ga scherper kijken, word gevoeliger voor nuance en elke dagelijkse handeling krijgt betekenis.Ik weet namelijk: dit kan taal worden! ☺ 

Niet alles wat ik meemaak mag of moet echter poëzie worden en ik wil het leven van een ander evenmin tot grondstof voor mijn schrijven maken.  Vaak is het niet het concrete verhaal van mezelf of van een ander dat ik probeer neer te pennen, maar de innerlijke verschuiving die het teweegbrengt.

Kort samengevat dus. Mijn werk verfijnt mijn schrijven en mijn schrijven verdiept mijn werk.

Geen van beide domineert.


Je volgde ook lessen bij Roel Richelieu Van Londersele en Ivo van Strijtem.

Welke inzichten haalde je hieruit?


Wat ik van deze heren leerde, is onnoemelijk veel en daarom moeilijk in enkele zinnen te vatten.

Ik probeer toch enkele zaken op een rijtje te zetten. Zij wezen me op ‘to do’s’ en vooral op ‘not dones’.

Ze hielpen me mijn aandacht voor het beeld (-ende) te verfijnen, wat inhoudt dat ik meer probeer te tonen wat iets is, ipv het letterlijk te benoemen, de gebruikte beelden degelijk uit te werken, daarbij oog te hebben voor consistent taalgebruik, de valkuilen van pathetiek en ‘gezwollen woordgebruik’ te vermijden (wat niet evident voor me is, vermits ik doordrongen ben van melancholie, ik weemoed altijd in mijn jaszak meedraag), het belang van lezen en herlezen, schrappen en herwerken, het wonder van de eenvoud, … en ga zo maar verder.


Dat zijn toch een heleboel zaken die mijn schrijfstijl grondig hebben beïnvloed, ik hoop ten goede. ☺ 

Wat ik trouwens zo bijzonder vind aan de ‘lesstijl’ van beide meester-dichters is dat zij benadrukten dat ieder zijn persoonlijke en unieke stijl mag hebben. Dat hielp me mijn gedichten te durven tonen of voorlezen en er zelf objectief naar te kijken om ze naar hun waarde te kunnen schatten. 


Jouw debuut Vulpasta stond op de shortlist voor de Zeef prijs en verscheen recent. Hoe voelde die erkenning voor jou? Wat betekent die publicatie voor jou?


Ik was heel erg verrast en dankbaar door de nominatie van Vulpasta op de shortlist van de 5e Zeef-Poëzieprijs. Als ik de lijst van de andere genomineerden bekijk, is dit absoluut geen evidentie te noemen. 

Het is dan ook een ontzettend grote eer voor me dat mijn bundel wordt uitgegeven door Uitgeverij De Zeef, temeer omdat Roel Richelieu Van Londersele al jarenlang bij mijn favoriete dichters hoort! 

Zijn gedicht op poster ‘Mats’ hing jarenlang te prijken aan de muur van mijn voormalige woonkamer. Het was dan ook ietwat ‘surrealistisch’ dat dit mij nu ‘gebeurde’… maar het past uiteraard perfect in mijn leven ☺ Ik aanvaard het dus met graagte en zeer erkentelijk. Erkenning is echter niet wat me aanzet tot schrijven. Ik schrijf omdat het zich aandient, omdat het zich opdringt. Het ‘moet’ als het ware.

Het oordeel van anderen over mijn werk, leert me veel en maakt deel uit van mijn traject.

Het raakt me uiteraard, maar het stuurt mijn eigen proces in feite niet.


De titel Vulpasta verrast wel. Hoe is die titel ontstaan?


De titel is ontstaan uit mijn eigen zoektocht in de bundel zelf.

Ik zocht een woord dat ‘schuurt’, dat zich niet meteen laat vastleggen, dat meerdere lagen inhoudt en dat vond ik bij de term ‘vulpasta’. Ik vond er ook een aspect van mijn schrijven in terug: Taal als materie, gevormd vanuit noodzaak. Het draagt voor mij het zoeken, het samenkneden en het onvaste in zich en verwijst al enigszins naar de ‘Prikkers’ en  de ‘Gaten,’ die elk ook een onderdeel van de bundel zijn.

Ik vond het ook fijn dat het organisch en alledaags klinkt maar ook als meer symbolisch en intiem beschouwd kan worden.


Is er een rode draad in de bundel? Welke thema’s of onderwerpen komen vooral aan bod? 


Vulpasta bevat 3 delen: 

  • ‘Prikkers’, de dingen die ‘steken’,  de spreekwoordelijke angels in een mensenleven of –hoofd, ‘

  • Gaten’, waar er werkelijk verlies is, de gaten zijn geslagen, de prikkende zaken konden niet meer rechtgetrokken worden en dan 

  • de ‘Vulpasta’ zelf, die een bijna noodzakelijk gevolg op de 1ste 2 delen is. Hoe kan ik gaten vullen? Welke zaken hanteer ik daarvoor? Wat helpt me daarbij? Wat doe ik ermee? Hoe wordt verlies ietwat ‘mooier’? 


De hele bundel handelt voor mij vooral over de concrete leegte: bolsters die gesloten blijven, lege stoelen, verwachtingen die niet ingelost worden, tevergeefse pogingen tot verbinding, gaten dus. Maar ook over de handelingen die deze trachten op te vullen (nabijheid, zelfreflectie, bijgestelde doelstellingen, mensen die zogenaamde pasta zijn voor hoofd, lijf en leden) zonder ze op te willen lossen. Ze sluiten niets echt af, maar maken het leven met die openheid mogelijk of maken het hanteerbaarder.


Elke schrijver heeft zo een eigen manier van werken. Hoe verloopt dat proces voor jou? Heb je een bepaalde methode of schrijf je vrijuit? 


Mijn gedichten ontstaan meestal vanuit iets heel concreets: iets wat ik zie of ervaar, een beeld uit de natuur, de keuken, of iemand die iets heel bijzonders of net alledaags zegt, ….

Ik probeer het beeld nadien verder te dragen in de taal: Ik zoek naar woorden , ritme en een passende vorm om het uit te werken. Mijn gedichten lees ik ook vaak luidop. Soms gebeurt het anders. Dan word ik overvallen door een ‘ingeving’, die ik uiteraard zo snel mogelijk probeer neer te schrijven, want ze verdwijnt vaak even vlug als ze gekomen is. Het bewust herwerken van gedichten speelt de laatste tijd een grotere rol dan vroeger. Soms gaat het bijna ‘vanzelf’, soms is het echt ‘werken’ om alles op de juiste plaats te krijgen of de juiste klank te kunnen geven. Ik laat mijn teksten dus regelmatig liggen om er later naar terug te keren met een nieuwe blik. Dan pas begint het echte verfijnen (schrappen, verschuiven, aanpassen).


Wat is voor jou het ideale recept voor een goed gedicht? Kan je een voorbeeld geven van een dichter of gedicht daarbij?

Voor mij bestaan er geen echte vaste vormvereisten. Maar, een goed gedicht moet wel ‘iets te zeggen hebben’, zegt meer dan de woorden ‘droogweg’ betekenen, start vaak met een intrigerend of interessant vers en eindigt vaak verrassend of contradictorisch, alleszins sterk! Liefst via zo concreet mogelijke en eenvoudige bewoordingen en degelijke beeldspraak (zintuiglijke woorden of sensaties spreken mij vaak enorm aan). Een goed gedicht weet mij te raken, vermijdt clichés of gaat er origineel mee om,

wordt vanuit een zekere urgentie geschreven.


Daarenboven hou ik van strakke, vrij bondige gedichten (die ik zelf niet eenvoudig te schrijven vind!), waarin elk vers telt en waarbij er een mooi ritme en klank zijn die het consequent woordgebruik ondersteunen.De beste gedichten vind ik deze die suggereren, niet voor me invullen, die me raken en iets bij me nalaten…


Als tiener kende ik de bundel Onbegonnen werk van Herman De Coninck zo goed als volledig uit het hoofd. De inhoud, de ritmes, de klanken, … Ik kon ze zo voordragen, soms in stilte in mijn eigen hoofd, soms erg luid aan de afwasbak in de keuken of onder een boom in het stadspark.


Maar ook andere dichters zoals Jean-Pierre Rawie, Miriam Van hee, Anna Enquist, Remco Campert, Borges, Neruda, en noem maar op, vond ik geweldige ‘keien’ in hoe ze bijna schilderen met woorden.

Een ware kunst vind ik het hoe zij aan de hand van prachtige beelden (over bv. sluipend verdriet of rouw, terugblikken) kunnen benoemen zonder ‘gezwollen woorden’ te gebruiken. Echte kanjers!


Bijvoorbeeld:


Verlanglijstje


Geef mij Nescio en Tsjechov, oude

boeken.

Geef mij na mijn zoveelste kale reis

iemand die mij twee haren uittrekt

en glimlachend zegt: je wordt grijs.

Geef mij alles en zeg: het is niets.


Geef mij niets en zeg: dat is alles.

Geef mij mezelf, geef mij jou.

Ik heb gezocht naar wist ik maar wat.Geef mij nu eindelijk 

wat ik altijd al had.


Herman de Coninck


We belichten drie gedichten uit jouw debuut.


In Achtertuin schets je een ruimte van herinnering en gemis. Je schrijf over ‘scherven van jonge dromen’ en ‘bomen die wortelen in arme grond’. Niet meteen de tuin van Eden zeg maar. Eerder weemoedig van sfeer misschien. Aan het slot verschijnt de durfal die zich door de kruipplanten waagt.


Dit gedicht noem ik zelf introspectief (‘waarin ik woon’ of ‘ik blijf denken’), beeldrijk met natuurmetaforen (bv. ‘heesters’, ‘bomen’, ‘arme grond’, ‘vruchten dragen’) die jeugd, gebroken idealen, gemis, herinnering maar ook voorzichtige hoop beschrijven. Daarom vind ik het niet ‘gelaten’. De achtertuin is geen letterlijke plek, maar een soort van geheugenruimte, waarin teruggeblikt wordt op wat niet was of zijn kon, op kwetsbaarheid, die de spanning tussen hoop en realiteit weergeeft, maar die ook moedig vooruitblikt op wat wel nog kan komen. De ‘durfal’ vind ik daarom een goedgekozen woord: het vergt moed om in relaties te stappen, enthousiast in het ‘nu’ te blijven en te blijven vooruitkijken, jezelf te durven verliezen en tegelijk te behouden.


Het tweede gedicht vertelt, met een knipoog, hoe voorwendselen zo talrijk en hardnekkig zijn dat je er een heel huishouden mee kan doen. Ze kunnen dienst doen als behang, plafondplaten of zelfs als naaimachine. Maar helaas: voorwendselen blijken ongeschikt als doe-het-zelfmateriaal. De smoezen herstellen niets. Tot je het huis te koop moet zetten. Ik lees veel ironie in dit gedicht en je trekt de metafoor ook door tot het einde.


Ik hou zelf enorm van humor, zowel in het dagelijkse leven als in poëzie.

Het kan spreekwoordelijke deuren openen. Ik merk bij mezelf bv. dat ik minder drempels ervaar om ‘in zwaardere kamers binnen te stappen’. Het helpt me te relativeren zonder te minimaliseren en zaken bespreekbaar te maken, … Je mag iets aankunnen. ‘Dit doet pijn, maar toch sta ik hier, menselijk en gebrekkig.’ Ik vind humor een welgekomen ‘lichtere compagnon van de gewichtigere zwaarte’.


Bij een lezer schept het soms ook een zeker bondgenootschap met de dichter (‘Ik ben niet de enige die dit zo ervaart.’). Het activeert ook het denken en schept ruimte, meen ik. Ironie kan nl. onverwachte perspectieven bieden, helpt om afstand te nemen en geeft nieuwe betekenissen. Ik hanteer dit niet als ontsnappen, maar om te ‘herkaderen’. Humor en geduld zijn mijn trouwe metgezellen in mijn levensverhaal.


Tot slot het gedicht Kramiek. Hij ziet een rijkgevulde fruitmand. Zij ziet het bederf. Hij klampt zich vast aan de zoete krenten in de kramiek. Zij verlangt een robuust, op steen gebakken brood. De smaken verschillen of gewoon twee manieren van kijken?


Ik hou zelf ontzettend van tegenstellingen. Ze zijn ook zo talrijk aanwezig in elk individu, tussen mensen onderling en in het leven in het algemeen. ‘Kramiek’ gaat voor mij niet zozeer enkel over twee ‘manieren van kijken’, maar vooral over het verschil in waarderen, wat het existentiëler maakt. De ‘ik’ benoemt dat besef niet maar laat het ontstaan via beelden. Hij ziet vooral, zij denkt erbij. Er is geen dialoog. Wel bewustwording en aanvaarding van de verschillende werkelijkheden, zonder de ander te willen overtuigen. Het waarnemen van de verschillen evolueert van vrij subtiel naar radicaal.

(De ‘ik’ weet wat ze zoekt.).


Tot slot laat ik drie citaten op jou los, waarop jij mag reageren.


Als de wereld begrijpelijk was, zou er geen kunst bestaan. Si le monde était clair, l'art ne serait pas.


Ik volg dit citaat zeker (mits enige nuance). De wereld is vaak chaotisch, tegenstrijdig en moeilijk te bevatten.Ik vermoed dat kunst ontstaat op het breukvlak waar woorden, regels of logica tekortschieten.

Niet om alles ‘op te lossen’, maar om het draaglijk, deelbaar en voelbaar te maken. 

We zoeken betekenis en verbeelding. Dat is zeker ook het geval wanneer de wereld soms te mooi, te intens of te pijnlijk is om ongezegd te laten. Anderzijds vind ik dat ook de ‘begrijpelijke’ zaken het verdienen om in kunst (woorden, beelden, tekeningen, muziek, fotografie, …) te worden gegoten.

Kunst geeft waarde, zin en helpt ‘bewaren’. 


Elk huwelijk ouder dan een week kent gronden tot echtscheiding.

De kunst is het vinden en blijven vinden van gronden om bijeen te blijven.


In every marriage more than a week old, there are grounds for divorce. The trick is to find, and continue to find, grounds for marriage.



Ook hierin zit zeker een herkenbare waarheid! Iedereen ervaart teleurstelling, botsende verwachtingen, vermoeidheid, een gekwetst ego. Redenen vinden om te blijven, vind ik prachtig. We zouden de ander die we niet steeds begrijpen toch moeten kunnen accepteren met een liefde die niet altijd in harmonie is, vaker moeten kiezen voor herstel i.p.v. voor ‘het grote gelijk’ wanneer iemand ons zo na aan ons hart ligt,  maar uiteraard niet tegen elke prijs!Niet te snel opgeven en mensen graag zien om wie ze werkelijk zijn, niet omwille van wie we willen dat ze zijn, hen hun ‘super-powers’ tonen in een sterk verbonden en veilige sfeer… Dat is een mooie vorm van liefde en respect, vind ik. Proberen, op je gezicht gaan, een ander op zijn gezicht laten gaan en het toch blijven proberen. Samen leren en groeien, zonder de ander te willen veranderen. Anderzijds vind ik ook trouw aan jezelf en zelfrespect bijzonder belangrijke waarden. Soms zijn er simpelweg te weinig redenen, kost het téveel om te blijven en dan zou de ‘liefde’ te duur betaald zijn. We hebben vermoedelijk maar 1 leven, zonder generale repetitie. Don’t forget! ☺ 


Heeft men een goed boek uitgelezen, dan is het alsof men van een goede vriend afscheid neemt.

Origineel: En finissant un bon livre, il semble que l'on quitte un ami.


Een goed boek kan inderdaad als goed gezelschap voelen, waaraan je je tijd, aandacht en verbeelding hebt geleend. Het kan je ook veranderen of als een soort ‘thuiskomen’ voelen, waardoor het inderdaad soms bitter smaakt als het verhaal abrupt stopt, maar ik hou mezelf steeds voor ogen. Het heeft me veel geleerd en ik kan het altijd opnieuw openen, er weer in onderduiken, maar ik zal er op een volgend moment met een andere blik naar kijken, omdat ik zelf ook al iemand anders zal zijn. 


Wat hoop je dat lezers zullen meenemen na het lezen van Vulpasta? 


Dit vind ik de moeilijkste vraag. Ik ben er namelijk van overtuigd dat elke lezer er zijn of haar eigen interpretatie aan zal geven. Misschien zal de ene bij momenten enige (h)erkenning ervaren, de andere even stil blijven staan bij een vers, er anders naar zaken of mensen door kijken, het wonder van de eenvoud zien of de kracht van vullen en verbinding voelen. Ik hoop stiekem dat de lezer zich bewust kan worden van zijn of haar eigen tools om verlies iets mooier te maken en dat mensen in hun soms zure of bittere leven blijven kiezen voor de ‘zoete jonagolden’ in hun spreekwoordelijke fruitmand.

Maar ik hoef niemand iets te leren, hooguit te laten herkennen ☺ 



uitgeverij De Zeef
uitgeverij De Zeef



vragen: Wim Vandeleene




 
 
bottom of page