top of page

Heksenvingers en wijnrode bloemen

  • Foto van schrijver: Annika Cannaerts
    Annika Cannaerts
  • 15 mei
  • 4 minuten om te lezen

over Randschade | Johan Clarysse



Hinderlaag



Door jouw lichaam trekt een menigte vrouwen voorbij.

Eén voor éen breng je ze in kaart.


Eén zegt dat je haar verleidt en herschikt tot

jouw beeld en gelijkenis. Ze trotseert je masculiene blik

wijst je terecht met haar maanlichtzachte heksenvingers.


Een andere voert graag het hoge woord. Ze maakt

pantsers vloeibaar, plukt wijnrode bloemen uit haar zwarte kleed

kerft met een zakmes een hart in je plattegrond.


De derde vraagt zich af hoe naakten

te kleden en hongerigen te spijzen.


Het meisje van twintig wil dat heren tasten

met hun stem, trekt dagen aan als jurken

verzint lange, hete zomers.


De moeder verkondigt dat de menigte één is

en met velen, zoals stoelen rond een tafel.

Ze herhaalt het als een mantra.


Morgen plan je een afspraak.

Wie van hen lokt jou in een hinderlaag?


Johan Clarysse



De eerste versregel trok mij meteen het gedicht binnen: ‘Door jouw lichaam trekt een menigte vrouwen voorbij.’ Dat beeld vind ik bijzonder sterk. Het lichaam van de aangesproken ‘jij’, vermoedelijk een man, wordt voorgesteld als een soort doorgangsruimte waar verschillende vrouwen doorheen bewegen. Ze zijn niet statisch aanwezig, maar ‘trekken voorbij’, alsof het om een processie of een stoet gaat. 

Daardoor krijgt identiteit iets dat in beweging is: vloeibaar, veranderlijk. Het gedicht suggereert dat een mens nooit één vaste kern heeft, maar bestaat uit vele stemmen, herinneringen en invloeden.

Dat thema van gefragmenteerde identiteit spreekt me erg aan. We denken vaak dat we autonome individuen zijn, maar eigenlijk dragen we zoveel sporen van anderen in ons mee. We worden gevormd door ontmoetingen, relaties en verwachtingen. De ‘menigte vrouwen’ in het gedicht lijkt daar een verbeelding van.

Ook de vrouw valt in dit gedicht niet te reduceren tot één rol. Elke vrouwenfiguur vertegenwoordigt een andere kracht of energie. De eerste vrouw verzet zich tegen de ‘masculiene blik’: ze weigert zich te laten ‘herschikken tot / jouw beeld en gelijkenis’. Ze wil zich niet laten definiëren of vormen volgens het verlangen van de man. Zij biedt weerstand en wijst hem terecht met haar ‘maanlichtzachte heksenvingers’: een erg mooi beeld, dat iets teders combineert  met iets dreigends en mysterieus.

De tweede vrouw vind ik misschien de meest fascinerende figuur van het gedicht. Ze is tegelijk sensueel en gevaarlijk. De beelden zijn heel lichamelijk en intens: ze ‘maakt pantsers vloeibaar’, ‘plukt wijnrode bloemen uit haar zwarte kleed’ en ‘kerft met een zakmes een hart in je plattegrond’. Liefde krijgt hier iets gewelddadigs of ontregelends.

Daarna verschijnen nog andere vrouwelijke stemmen: de zorgende vrouw die zich afvraagt hoe ze ‘hongerigen moet spijzen’, het meisje van twintig dat speelsheid en erotiek met elkaar verbindt, en tenslotte de moederfiguur. Zij verkondigt dat ‘de menigte één is / en met velen’.  Ze probeert eenheid te brengen in die veelheid van stemmen.

Maar precies daar begon ik te twijfelen. Kan identiteit echt zo eenvoudig samenvallen tot één geheel? Gaat dat zo makkelijk dan, al die verschillende stemmen in ons verzoenen? Daar geloof ik niks van. En ik vond het heel prettig om te lezen dat ook de dichter zich verzet tegen de simplificatie van de moederstem, want in de laatste strofe laat hij alles kantelen. Tot dan lijkt de aangesprokene de vrouwen te observeren en te benoemen, alsof hij degene is die controle heeft. Maar plots wordt hij zelf kwetsbaar: ‘Wie van hen lokt jou in een hinderlaag?’ Het woord ‘hinderlaag’ geeft het gedicht een donkere en dreigende ondertoon. De vrouwen worden niet langer objecten van observatie, maar mysterieuze krachten die macht over hem kunnen uitoefenen, zijn identiteit onzeker maken. Dat open einde vind ik heel sterk. De vraag blijft nazinderen nadat het gedicht afgelopen is, en precies dat maakt het voor mij sterke poëzie.

De beelden in dit gedicht zijn tegelijk dromerig en mythisch. Sommige ervan, vooral het beeld van de menigte vrouwen die in zijn lichaam voorbij trekt en de vrouw die wijnrode bloemen uit haar zwarte kleed plukt, bleven zo hangen dat ze me inspireerden om zelf een nieuw gedicht te schrijven. 


In mijn gedicht breng ik de vrouwen in kaart door ze op te graven. Ze lokken me niet in een hinderlaag, maar ze blijven zich wel bemoeien met de zaken van de levenden, ook al zijn ze dood. De wijnrode bloem uit het zwarte kleed werd een rood laarsje. 



Bij de steen van mijn overgrootmoeders



In de natte klei van een kerkhof in Beerzel 

graaf ik mijn overgrootmoeders op

het ruikt naar iets dat ooit tijdens een oud spelletje werd verstopt


ik heb niets vandoen met de dood, maar zij blijven 

zich bemoeien met de zaken van de levenden


ik spit de grond uit tot aan de oudste 

slechts aan een voet heeft ze een rood laarsje


ik heet x en ik ben zoveel jaar, zeg ik 

en vandaag breng ik een spreekbeurt over mijn familie


steek de stoof aan, zegt ze

breng mijn wollen sokken


ik stop de keien uit de zakken van mijn moeder

in haar handen, vouw haar armen terug over haar borst

schilder haar voeten goud en leg mijn apocalyptisch 

roze lichaam, blakend van vijf liter bloed, naast haar


onder een hemel van vel ga ik de rekeningen na

ik ben altijd koppig naar mijn werk vertrokken

ik heb betaald, voor alles, en vraag haar om vergiffenis


uit haar ogen rollen twee grote stenen


Johan Clarysse



uitgeverij P
uitgeverij P


 
 
bottom of page